Universitair kleuteronderwijs
Er worden door hoe langer hoe meer mensen waarnemingen aangedragen die onomstotelijk blootleggen dat ons onderwijs achteruit aan het boeren is. Meestal gaat het dan over de inhoudelijke visie op de doelstellingen, de eindtermen, het onmiddelljke nut van vakken, dat soort dingen. Dat we het niet slechter doen dan de ons omgevende landen maakt niet uit. Het is integendeel een kans om boven onze buren uit te stijgen door zelf beter te doen. En ja, ik ga er volledig mee akkoord dat de teloorgang van Latijn en Grieks een enorme verarming is, niet om die talen te gaan gebruiken maar wel omwille van de vorming van het analytisch denkvermogen en het loslaten van de wortels waaruit onze samenleving gegroeid is zoals Bart de Wever in de Standaard van 6 september jongstleden aangaf.
De groeiende kritiek die op het onderwijs te lezen is beperkt zich meestal tot de eindtermen van het gedeelte “schoolplicht”. Ik moet echter vaststellen dat het hoger en hoogste onderwijs in hetzelfde bedje ziek zijn, zoniet terminaal ziek. Als ik zie dat studenten vandaag te horen krijgen dat ze “het boek niet moeten kennen, dat de slides genoeg zijn” moet ik twee keer slikken.
Ik prijs me buitengewoon gelukkig dat ik mijn bul heb mogen verdienen in persoonlijke konfrontaties met de hoogleraren in hoogsteigen persoon, de enigen die tot op heden in staat zijn met vragen en met op de gegeven antwoorden gesteund gericht doorvragen kunnen peilen naar niet alleen wat de student weet maar ook naar wat hij kent, in hoeverre hij met die kennis kan spelen en of hij in staat is op een juiste manier verder te denken dan wat in de colleges werd meegegeven. Dat is de grondslag zelf om graden te kunnen verlenen.
En ik prijs me even gelukkig dat alles in mijn moedertaal gebeurde zodat er geen enkele nuance verloren gegaan is in het bekende traduttore traditore. Hier is duidelijk op alle fronten kwaliteit opgeofferd aan kwantiteit, alle drogredenen zoals de zogenaamde internationale uitstraling ten spijt: alsof kwaliteit afhankelijk zou zijn van de aankleding en niet van de inhoud, zie de kleren van de keizer. Prestaties gaan vxf3xf3r prestige zoals de kost gaat vxf3xf3r de baat. Dat betekent kwaliteit, kwaliteit en nog eens kwaliteit. Bij elke vertaling gaan er finesses verloren en als een nederlandstalige wetenschapper zijn gedachten eerst moet vertalen naar een lingua franca (eerste rendementverlies), ze moet overdragen naar studenten (tweede rendementsverlies), en die studenten ze weer moeten omzetten naar hun moedertaal (derde rendementsverlies) dan weet je zuiver technisch reeds dat de kwaliteit van het resultaat niet kan tippen aan rechtstreeks in de moedertaal overgedragen kennis. Simon Stevin die de motieven ten gunste van het gebruik van het “Duytsch” uiteengezet heeft in de inleiding tot De Weeghconst onder de kop: Uytspraeck van de weerdicheyt der Duytsche tael vond Nederlands zelfs het meest geschikt als voertaal van de wetenschap door de vormingswijze van woorden en samenstellingen. Daarom verrijkte hij het Nederlands met een hele rits eigen woorden ommedat al de werelt gheen latijn en can. De man draait zich om in zijn graf.
De grootste schande zijn de meerkeuzevragen, dieper kan je niet vallen. Je kan de resultaten van zo een “onderzoek” enkel toepassen op populaties in hun geheel en nooit, maar dan ook nooit op een individu en dxe1t is waar het om gaat als je iemand een getuigschrift van bekwaamheid moet geven, toch? Wxe9g de mogelijkheid om door woord en wederwoord te peilen hoe diep iemand de leerstof opgenomen heeft. Er zat ook statistiek in mijn vorming en ik weet dus zeer goed dat de manier van steekproeven, giskorrekties en al de wat daar nog bij hoort niet meer of minder zijn dan laag bij de gronds boerenbedrog, symptomen van de ontoereikendheid van het onderwijssysteem. Dat soort proef meet de gemiddelde kwaliteit van de lessen in plaats van de kwaliteit van de individuele student. Populatieverwisseling heet dat, een van de bekendste valkuilen waar geen ernstige onderzoeker nog mag intrappen.
Ik weet het wel, er is een wanverhouding ontstaan tussen de aantallen studenten en onderwijzend personeel. Dat mag echter geen reden zijn om het onderwijs te laten verloederen en de toetsen te degraderen tot nog minder dan kwisvragen: vragen die zelfs niet in de nabijheid komen van een behoorlijk meten wat de studenten weten, laat staan kennen. Zoiets is alleen goed om kleuters bezig te houden.
Wanbeleid is niet de manier om een wanverhouding recht te trekken. Als het waar is en ik geloof dat het waar is, dat de toekomst van een samenleving ophangt aan de vorming van haar leden dan moeten er ernstige offers gebracht worden om die vorming inhoudelijk en struktureel op peil te krijgen en dat begint met voldoende onderwijzend personeel, wel te verstaan bekwaam onderwijzend personeel voor zover dat nog te vinden en te motiveren is tussen al wat er de mist ingegaan is en nog ingaat.
